De codex over het welzijn op het werk verwijst naar de norm NBN EN 12464-1 voor verlichting van binnenwerkplekken.
De werkgever moet ervoor zorgen dat voldoende daglicht aanwezig is, aangevuld met adequate kunstmatige verlichting. Op basis van een risicoanalyse bepaalt de werkgever de voorwaarden van de verlichting om ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen te voorkomen en om vermoeidheid van de ogen te voorkomen.
Wanneer de werkgever de norm EN 12464-1 niet toepast, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage III.1-2 van de codex.
In deze bijlage zijn o.a. onderstaande gemiddelde verlichtingssterktes op het werkvlak bepaald:
De verlichting van het werkvlak moet gelijkmatig verdeeld zijn. Snelle en sterke overgangen in de verlichtingssterkte van het werkvlak en de onmiddellijk aangrenzende zone moeten vermeden worden. De lampen mogen geen flikkering of stroboscopieverschijnselen vertonen. Er mag geen hinderlijke verblinding door directe of indirecte waarneming van heldere lichtbronnen in het gezichtsveld optreden.