Factoren zoals de oriëntatie van het gebouw, de grootte en plaatsing van ramen, het gebruik van lichtreflecterende materialen en het vermijden van hinderlijke lichtinval bepalen in grote mate de kwaliteit van het daglicht. Met enkele slimme ingrepen kan u natuurlijke lichtinval optimaal benutten én tegelijk oververhitting of verblinding vermijden.
Enkele praktische tips om daglicht op een efficiënte en doordachte manier in te zetten in scholen:
- Een noord-zuid oriëntatie blijkt het eenvoudigst om volop van daglicht te profiteren zonder teveel lichthinder van laagstaande zonnestralen.
- Voorzie zonwering in alle lokalen waar verblinding of oververhitting mogelijk is. Dit kan bijvoorbeeld met een vast gevelelement zoals een luifel of dakoversteek, of met een regelbare zonwering (screens). De schaduwwerking van naburige gebouwen of bomen kan ook een gunstig effect hebben.
- Streef naar een gemiddelde daglichttoetreding van 3% voor een gewoon leslokaal en 5% of meer voor specifieke leslokalen zoals kunstateliers en werkplaatsen. Zorg dat er zeker nooit minder dan 0,7% daglichttoetreding is.
- Elke glassoort heeft een LTA-waarde, of een lichttransmissiefactor. De LTA-waarde drukt het aandeel direct doorgelaten licht voor loodrecht invallende straling uit en wordt uitgedrukt in %. Voor scholen wordt een minimum LTA-waarde van 70% vooropgesteld.
- Plaats tafels en borden zo dat leerlingen zo minimaal mogelijk in hun eigen schaduw zitten bij het schrijven. Over het algemeen komt het licht hiervoor best van links, althans voor rechtshandigen.
- Ruimtes met hoge gevoeligheid voor schaduwval en verblinding worden best naar het noorden georiënteerd.
- Overvloedige lichtreflectie kan nadelig zijn. Wees hiervoor beducht bij de keuze van de inrichting en wanddecoratie.
Naast voldoende daglicht is ook kunstverlichting onmisbaar in een schoolgebouw. Goed geplaatste en afgestemde verlichting zorgt ervoor dat klaslokalen, gangen en andere ruimtes comfortabel en functioneel blijven, ongeacht het tijdstip of de weersomstandigheden.
De juiste verlichting ondersteunt het leerproces, voorkomt vermoeidheid en draagt bij aan een aangename sfeer. Belangrijk daarbij zijn de keuze van armaturen, de kleur en intensiteit van het licht, en vooral de mogelijkheid om de verlichting aan te passen aan de activiteit of het moment van de dag.
- Voor algemene klaslokalen streeft u best naar 300 tot 500 lux op het werkvlak.
- Voor scholen wordt voor de uniformiteit (Uo) een minimumwaarde van 0,60 nagestreefd. Uniformiteit (Uo) geeft de gemiddelde verlichtingssterkte, of gelijkmatigheid, over het volledige werkvlak (lessenaars, maar ook schoolbord) aan.
- Vermijd te allen tijde verlichting op de rugzijde. Dit kan zorgen voor grote en harde schaduwen op het werkvlak.
- Schenk aandacht aan de positionering van de lichtarmaturen. Rechtstreeks zicht op de lampen moet vermeden worden. De verlichting wordt best niet boven de werktafels gehangen, maar boven de tussenrijen, met hun langste zijde in de kijkrichting van de leerlingen gericht.
- Zorg voor een maximale UGR-index van 19. “Unified Glare Rating” of UGR-index geeft de kans op verblinding bij kunstverlichting weer. Deze index houdt rekening met het type armatuur, de positie, karakteristieken van de ruimte en de positie van de waarnemer. Armaturen met parabolische lamellen of armaturen die het licht omhoog richten hebben de voorkeur.
- Een regelbare verlichting zorgt voor een verhoogd comfort, niet alleen omdat de gebruiker het gevoel heeft van controle maar ook omdat er dan enige flexibiliteit is. Zo kan de verlichtingssterkte (lokaal) verhoogd of verlaagd worden naargelang de activiteit (bv. bij projecties kan het licht vooraan in de klas gedimd worden) en de daglichtbeschikbaarheid.
- In een schoolomgeving wordt er naar een minimum Ra-waarde van 80 gestreefd. Bij deze waarde is de kleurweergave behoorlijk goed. Voor kunstonderwijs ligt de minimale Ra-waarde op 90 om kleuren echt goed te kunnen waarnemen.
- Voor de kleurtemperatuur kies je best voor verlichting met een waarde van 4000 K. Dit is een neutraal wit licht. Lager dan 3300 K is een warm wit licht, hoger dan 5300 K is een koud wit licht.