Bepalen van de oppervlakte

Bij het ontwerpen of renoveren van een speelplaats is het essentieel om voldoende ruimte per leerling te voorzien. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan, tonen studies aan dat een tekort aan speelruimte conflicten en pestgedrag in de hand werkt. Daarom is het aangeraden om een ruime en kwalitatieve speelomgeving te creëren. 

 

Berekening van de speelruimte per leerling

Gebruik onderstaande formule om een eerste indicatie te krijgen van de beschikbare speelruimte per leerling: 

Oppervlakte speelplaats (m²) ÷ totaal aantal leerlingen = m² per leerling

 

Aanbevolen minimale oppervlakte 

Onderstaande oppervlaktes voor de buitenspeelruimte zijn wenselijk: 

  • buitengewoon onderwijs: 8 - 10 m² per leerling waarvan maximum 1,8 m² per leerling overdekt
  • basisonderwijs: 8 - 10 m² per leerling waarvan maximum 1,2 - 1,8 m² per leerling overdekt
  • secundair onderwijs: minimaal 4 m² per leerling waarvan maximum 1,2 – 1,8 m² per leerling overdekt 

Voor het buitengewoon en basisonderwijs wordt aangeraden om minimaal 6 m² buitenspeelruimte per leerling te voorzien. Daarnaast kan het spreiden van de pauzes, bijvoorbeeld door aparte speeltijden voor jongere en oudere leerlingen te voorzien, helpen om de beschikbare ruimte optimaal te benutten.

 

Subsidiëring en omgevingswerken 

De fysische norm bepaalt de maximaal subsidiabele oppervlakte voor verharde speelplaatsen en het aandeel daarvan dat overdekt kan zijn. Ook niet-verharde groenzones kunnen onder bepaalde voorwaarden subsidiabel zijn. Meer informatie over de normen vindt u hier. 

Vorm