U bent hier

regelgeving

In de regelgeving wordt gefocust op de CO2-concentratie omdat deze wordt gezien als een goede indicator voor de luchtverontreiniging ten gevolge van ademhaling en aanwezigheid van personen. Bovendien kan het objectief en met een goede nauwkeurigheid worden gemeten. CO2 zelf heeft pas negatieve effecten voor de gezondheid vanaf vrij hoge concentraties. U spreekt van een hoge concentratie als er  meer dan 5000ppm of parts per million wordt gemeten. In een normale klasomgeving wordt deze concentratie niet bereikt. Samen met CO2 worden echter ook nog andere stoffen uitgeademd, waarvan de concentratie parallel loopt met de CO2-concentratie. Onderzoek toont aan dat, omwille van deze parallelle stijging, er reeds bij een CO2-concentratie van 1200 ppm klachten kunnen optreden, veroorzaakt door de andere stoffen. Bovendien wordt er een direct verband gevonden tussen CO2-concentratie en de leerprestaties van de leerlingen.
Naast de ademhaling (met CO2 en andere stoffen) beïnvloeden ook nog andere factoren de binnenluchtkwaliteit. Denk hierbij aan verf, poetsmiddelen, meubilair…

  • Binnenmilieubesluit

In het Vlaams gewest zijn de normen om kinderen te beschermen tegen een slechte luchtkwaliteit in klaslokalen vervat in het zogenaamde Binnenmilieubesluit van 11 juni 2004. Dit besluit bevat maatregelen om gezondheidsbedreigingen in binnenomgeving te voorkomen en aan te pakken. De bijlage van het besluit omvat een lijst van richt- en interventiewaarden voor mogelijke schadelijke stoffen en factoren.

In het binnenmilieubesluit is voor CO2 enkel een richtwaarde bepaald op < 500 ppm boven de buitenluchtconcentratie. Daarnaast worden er ook richt- en interventiewaarden meegegeven voor onder andere PM2.5 (fijn stof) en stikstofdioxide voor een langdurige blootstelling.

  • Vlaamse en Brusselse energieprestatieregelgeving

De Energieprestatieregelgeving (EPB) legt eisen op voor isolatie, energie (E-peil) en binnenklimaat onder de vorm van minimale ventilatievoorzieningen, voor werken aan schoolgebouwen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is.

Bijlage X van de Vlaamse EPB-regelgeving en bijlage VII en XVI van de Brusselse regelgeving schrijven voor dat het ontwerpdebiet voor niet-residentiële gebouwen (waaronder scholen) niet kleiner mag zijn dan het minimum debiet dat overeenkomt met  de waardes voor binnenluchtklasse IDA3, uitgedrukt in m³/(h.pers). De norm NBN EN 13779 bepaalt deze klassen en geven een directe classificatie van de luchtkwaliteit aan de hand van metingen van de CO2-concentratie.

Classificatie binnenluchtkwaliteit a.d.h.v. CO2-concentratie in ruimten:

tabel_1.jpg

Een gemiddelde waarde van CO2-concentratie in de buitenlucht ligt doorgaans tussen 350 en 450 ppm. Bij een buitenconcentratie van 400 ppm moet men om binnen de IDA3 klasse te vallen CO2-concentraties in het klaslokaal meten tussen 1000 en 1400 ppm. Eenzelfde absolute CO2-concentratie in een gebouw kan afhankelijk van de context (bv stedelijk of landelijk) een andere luchtkwaliteitklasse impliceren. 

Aan de hand van de gemiddelde hoeveelheid CO2-productie van een gebruiker werden de ventilatiedebieten corresponderend met elk van de hierboven vermelde luchtkwaliteitklassen berekend. Deze indirecte classificatie (voor ruimten bestemd voor menselijke bezetting) is ook terug te vinden in de norm NBN EN 13779.

Concreet: Het minimum ontwerpdebiet per persoon voor 'ruimte bestemd voor menselijke bezetting' is door de EPB-regelgeving op deze manier vastgelegd op 22 m³/h.persoon, de ondergrens van binnenluchtklasse IDA3 in de indirecte classificatie. Deze regelgeving is van toepassing op iedereen in het klaslokaal.

Uitzondering hierop zijn de toiletten. Indien het aantal toiletten en urinoirs gekend zijn, moet men een ventilatiedebiet hebben van minimum 25m³/h.wc . Als het aantal niet gekend is, dan wordt er gerekend met 15m³/h.m² .

Om het gewenste debiet per lokaal te kennen, moet de bezetting van de ruimte gekend zijn.  Indien het maximale aantal personen dat in de ruimte aanwezig zal zijn niet gekend is, voorziet bijlage X van de EPB-regelgevingstandaardwaarden.  Voor onderwijsinstellingen is standaard een bezetting voorzien van 4m²/persoon.  Hou er wel rekening mee dat de reële bezetting van een klaslokaal doorgaans groter is dan de minimale bezetting waarmee standaard volgens EPB gerekend wordt. Daardoor zullen  in de praktijk hogere debieten nodig zijn om een goede luchtkwaliteit te garanderen. De norm geeft een  meer realistische waarde , namelijk 2,5m²/persoon.

Meer informatie over het onderwerp oppervlaktes en afmetingen vind je hier.

Het Instrument voor Duurzame Scholenbouw stelt dat minimaal klasse IDA3 gehaald moet worden, maar dat het streefdoel eerder IDA2 moet zijn. De ondergrens van deze binnenluchtklasse bedraagt 36m³/h.persoon.
 

  • Codex over welzijn op het werk

Scholen zijn arbeidsplaatsen voor leerkrachten, administratief en ondersteunend personeel, etc... Hierdoor moeten onderwijsinstellingen voldoen aan de bepalingen die opgenomen zijn in de 'Codex over het welzijn op het werk'. Deze regelgeving bepaalt de minimale werkcondities die een werkgever op de arbeidsplaatsen moet voorzien.

De werkgever moet ervoor zorgen dat de werknemers in de werklokalen over voldoende verse lucht beschikken, rekening houdend met de werkmethoden en de lichamelijke inspanningen die de werknemers leveren.

De werkgever moet daarom de nodige technische of organisatorische maatregelen nemen opdat de CO2-concentratie in deze werklokalen onder een bepaalde grenswaarde blijft. Sinds juni 2019 is de maximale grenswaarde voor de CO2-concentratie verhoogd van 800 ppm naar 900 ppm. De werkgever kan ook kiezen voor een minimum ventilatiedebiet van 40 m³/u per aanwezige persoon.

Op twee voorwaarden kan een CO2-concentratie van 1200 ppm of een minimum ventilatiedebiet van 25 m³/u per aanwezige persoon worden toegestaan:

  1. de werkgever kan op basis van de resultaten van de risicoanalyse aantonen dat de werknemers een gelijkwaardig of beter beschermingsniveau genieten wat de binnenluchtkwaliteit betreft, doordat verontreinigingsbronnen werden uitgeschakeld of aanzienlijk werden verminderd, bijvoorbeeld door het gebruik van emissiearme materialen;
  2. de werkgever heeft hierover voorafgaand het advies gevraagd van de bevoegde preventie-adviseur en van het comité.

In nieuwbouw of gebouwen waar werken en renovaties gebeuren met een bouwaanvraag na 1 januari 2020 moet de werkgever de nodige technische en/of organisatorische maatregelen nemen om hieraan te voldoen. Bij andere gebouwen waar niet voldaan kan worden aan de eisen, stelt de werkgever een actieplan op. Dit plan omvat de nodige technische en/of organisatorische maatregelen op korte, middellange en lange termijn worden vastgelegd, evenals een tijdspad voor de uitvoering van deze maatregelen. Dit moet ervoor zorgen dat de binnenluchtkwaliteit verbetert en dat binnen afzienbare termijn kan worden voldaan aan de eisen.

Let op! De Codex over welzijn op het werk legt voor arbeidsplaatsen strengere eisen op dan die in de EPB-regelgeving.

Wanneer een ventilatiedebiet per aanwezige persoon van 40 m³/u gehaald wordt is dit uitstekend, dit komt overeen met IDA 1 wat in het GRO als een uitstekend prestatieniveau wordt aanzien.

binnenmilieu.jpg
Meer weten?

Website Leefmilieu Brussel (over EPB)

Website VEA (over EPB)