agion - Home  
Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs
DIGO - Home
juridisch kader > schoolpactwetgeving
schoolpactwetgeving

Afdeling I. - Algemene bepaling
Afdeling II. - Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs

Uittreksel uit de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd.

Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 13. - § 1. Kunnen slechts een beroep doen op de door de Vlaamse Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen:

1. de onderwijsinstellingen, internaten en de centra voor leerlingenbegeleiding:

  1. die beantwoorden aan de criteria van een rationalisatie- en programmatieplan dat de voorwaarden vastlegt enerzijds voor het voortbestaan of de betoelaging van bestaande centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen, en anderzijds de oprichting of opname in de toelageregeling van nieuwe centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen;
  2. waarvan de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding is aangetoond door het niet beschikbaar zijn binnen een bepaalde gebiedsomschrijving van bestaande gebouwen of voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op kosten van de Vlaamse Gemeenschap zijn opgericht;

2. de werken die beantwoorden aan de vastgestelde fysische en financiële normen. Het plan, de voorwaarden waaronder de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding kan worden aangetoond en de normen worden vastgelegd door de Vlaamse regering. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht.

§ 2. De aan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs toegekende investeringsmiddelen en de door de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs aan de gesubsidieerde onderwijsinstellingen toe te kennen investeringsmiddelen kunnen jaarlijks ten belope van maximaal 10 % worden aangewend voor de aankoop van zware didactische apparatuur.

Afdeling II. - Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs

Onderafdeling 1. - Inleidende bepalingen, oprichting

Art. 14. - Bij de Vlaamse regering, hierna regering te noemen, wordt onder de benaming “Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs”, in afkorting hierna DIGO te noemen, een openbare instelling, met rechtspersoonlijkheid opgericht. De zetel van de DIGO is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. Bij beslissing van de regering kan de zetel naar een andere plaats worden overgebracht.

Art. 15. - De DIGO wordt overeenkomstig de bepalingen van dit decreet geleid door de raad van bestuur, hierna de raad te noemen.

Art. 16. - De bepalingen van deze afdelingen zijn van toepassing op het gesubsidieerd officieel en vrij onderwijs en op de gesubsidieerde officiële en vrije centra voor leerlingenbegeleiding.

Onderafdeling 2. – Opdracht

Art. 17. - § 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, § 2 heeft de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs als opdracht de aankoop en de bouw-, moderniserings-, uitbreidings-, geschiktmakingswerken en de eerste uitrusting te subsidiëren van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding of internaten ten belope van 70 % voor het gewoon- en buitengewoon basisonderwijs en ten belope van 60 % voor de andere onderwijsniveaus en de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 2. De terugbetaling van kapitaal, intresten en bijhorende onkosten te waarborgen van de leningen aangegaan met het oog op de financiering van het niet door toelage gedekte deel van het totale bedrag van de investering.

§ 3. De verbintenissen aangegaan ten laste van het Fonds voor provinciale en gemeentelijke schoolgebouwen en het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen alsmede de verbintenissen aangegaan voor het gesubsidieerd officieel en vrij onderwijs in uitvoering van artikel 85 van het decreet van 5 juli 1989, worden overgedragen aan de bij artikel 14 opgerichte Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs.

Art. 18. - § 1. De leningen moeten door de inrichtende macht, bij een daartoe door de regering erkende financiële instelling worden aangegaan. De looptijd van de lening mag de duur van vijfentwintig jaar niet overschrijden.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt onder “eerste uitrusting” begrepen: de uitrusting die is aangebracht in een nieuw of aangepast gebouw, die onontbeerlijk is voor het gebruik van de infrastructuur en die onroerend is uit haar aard of door de bestemming.

Art. 19. - § 1. Een inrichtende macht mag op de DIGO slechts een beroep doen voor een onroerend goed waarvan zij eigenaar is of waarop zij een zakelijk recht bezit dat haar het genot van het goed verzekert gedurende ten minste dertig jaar. Bij het einde van de erfpacht zal de vereniging-eigenares een vergoeding verschuldigd zijn aan de vereniging-pachtster gelijk aan de meerwaarde die op dat tijdstip zal ontstaan door de aan de gebouwen aangebrachte verbouwingen of nieuw opgerichte gebouwen. De hiervoor gestelde voorwaarden gelden niet voor de aankoop van gebouwen of de eerste uitrusting. Dit zakelijk recht zal slechts vervreemd of met een zakelijk recht bezwaard mogen worden met de instemming van de raad van de DIGO.

§ 2. Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of een deel van een gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschiktgemaakt met tussenkomst van de DIGO, gaat de DIGO over tot terugvordering van het verstrekte subsidiebedrag, verminderd met 1/20 per jaar voor de periode waarbinnen het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide of geschiktgemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waarvoor de tussenkomst van de DIGO werd verkrijgen. De aanvangsdatum voor de berekening van de aldus toegekende vermindering is de eerste september van het schooljaar tijdens hetwelke de subsidie werd toegekend.

§ 3. Het bepaalde van de §§ 1 en 2 is niet van toepassing op de aankoop van de in artikel 13, § 2, bedoelde apparatuur.

§ 4. Bij een fusie van inrichtende machten waardoor er een nieuwe inrichtende macht ontstaat of bij een overname van de onderwijsbevoegdheid door een andere inrichtende macht, kan het gebouw waarvoor er een beroep werd gedaan op de DIGO, met behoud van de bestemming, worden overgedragen of ter beschikking worden gesteld van de nieuw bevoegde inrichtende macht door gebruik te maken van één van de rechtsfiguren uit het burgerlijk recht. De nieuw bevoegde inrichtende macht treedt ten aanzien van de DIGO in de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke inrichtende macht op voorwaarde dat de nieuw bevoegde inrichtende macht eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt dat noodzakelijk was voor het bekomen van de subsidie door de DIGO. Indien de nieuw bevoegde inrichtende macht de eigendom of het zakelijk recht niet overneemt, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.

Art. 20. - In zoverre dit vereist is voor het vervullen van zijn opdracht kan de DIGO, ten laste van zijn begroting:

  1. onroerende goederen en materieel verwerven, vervreemden of verhuren;
  2. gebouwen oprichten, geschiktmaken, onderhouden en beheren;
  3. bepaalde taken toevertrouwen aan diensten vreemd aan de DIGO of aan andere natuurlijke of rechtspersonen die geen deel uitmaken van zijn personeel.

Onderafdeling 3. - De raad van bestuur

Art. 20bis. - § 1. De DIGO wordt bestuurd door een raad van bestuur, samengesteld uit twaalf leden die door de regering zijn benoemd voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is:

  1. vier leden vertegenwoordigen de Vlaamse regering;
  2. vier leden worden aangeduid door de representatieve organisaties van inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs;
  3. vier leden worden aangewezen door de representatieve organisaties van inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

§ 2. De raad kiest onder zijn leden bedoeld onder b) en c) met gewone meerderheid van de aanwezige leden een voorzitter en een ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter mogen niet gelijktijdig tot dezelfde groep behoren.

§ 3. In de raad wordt een vast bureau opgericht dat bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter en twee leden, die derwijze worden gekozen dat elk van de in § 1 bedoelde groepen a, b en c erin vertegenwoordigd zijn.

§ 4. Het secretariaat van de raad en van het vast bureau wordt verzekerd door de leidende ambtenaar van de administratieve diensten van de DIGO of door zijn afgevaardigde met minstens de rang A2.

§ 5. De raad bezit alle bestuurs- en beslissingsbevoegdheid om de opdracht van de DIGO uit te voeren.

Hij kan onder meer onderhandelen, voor de rechtbank pleiten of als eiser of als verweerder, dadingen aangaan, verweren en in rechte verschijnen.

Hij beslist over alle verrichtingen, bepaalt de voorwaarden waaronder ze geschieden en stelt het huishoudelijk reglement vast.

Dit reglement dat aan de regering ter goedkeuring wordt voorgelegd, bepaalt onder meer:

  1. welke akten moeten worden gewaarmerkt door de voorzitter, of bij zijn afwezigheid door de ondervoorzitter;
  2. binnen welke grenzen en op welke wijze sommige bevoegdheden van de raad kunnen worden overgedragen aan het vast bureau, aan de leidende ambtenaar of aan andere personeelsleden;
  3. de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.

§ 6. De regering bepaalt het bedrag van de vergoedingen die aan de leden van de raad en van het vast bureau mogen worden toegekend. De reglementering inzake reis- en verblijfkosten, zoals die geldt voor het personeel van de diensten van de regering, is op de leden van de raad van overeenkomstige toepassing.

§ 7. De raad is belast met:

  1. het opstellen van de jaarlijkse ontwerpbegroting met detail van alle ontvangsten en uitgaven en deze ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse regering. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar;
  2. het voorleggen aan de Vlaamse regering van periodieke verslagen en een jaarverslag over de werkzaamheden van de DIGO;
  3. het verstrekken van alle door de Vlaamse regering gevraagde inlichtingen;
  4. het opmaken op uiterlijk 30 juni van de jaarlijkse uitvoeringsrekening van de begroting van de DIGO, en een overzicht van het actief en passief op 31 december van het betrokken jaar. De rekeningen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse regering.

Onderafdeling 4. – Personeel

Art. 20ter. - § 1. De DIGO beschikt over administratieve diensten die gedeconcentreerd kunnen zijn. Zij worden onder het gezag van de raad geleid door een administrateur-generaal.

De administrateur-generaal of zijn afgevaardigde vertegenwoordigt de DIGO in openbare en in onderhandse akten. De rechtsvorderingen worden op zijn benaarstiging ingeleid en gevolgd. Hij kan met instemming van de raad zijn bevoegdheden overdragen voor welbepaalde handelingen.

§ 2. De regering bepaalt na voorafgaand advies van de raad, het administratief en geldelijk statuut, alsmede de personeelsformatie van de administratieve diensten van de DIGO. De organisatie van de wervingsexamens wordt toevertrouwd aan het Vast Wervingssecretariaat.

§ 3. De regering neemt de passende maatregelen teneinde de DIGO de machtiging te verlenen, wat het personeel van zijn administratieve diensten betreft, deel te nemen aan de pensioenregeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.

Onderafdeling 5. - Financiële bepalingen

Art. 20quater. - § 1. De financiële middelen van de DIGO bestaan uit:

  1. een op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap uitgetrokken krediet, waarvan het bedrag bij decreet wordt bepaald;
  2. schenkingen en legaten;
  3. de opbrengst van de vervreemding of de overdracht van onroerende goederen verworven met de onder 1. en 2. bedoelde ontvangsten, alsmede alle ontvangsten van welke aard ook voortkomend van deze onroerende goederen;
  4. de opbrengst van de tegoeden en van de belegging van de beschikbare middelen. Deze opbrengst wordt verhoudingsgewijs aangewend behoudens andersluidende beslissing van de raad van bestuur.

Deze middelen worden even onaantastbaar geacht als de kredieten die bestemd zijn voor de werkingsuitgaven van de Vlaamse Gemeenschap.

De saldi van de hierboven vermelde middelen zijn, met behoud van hun bestemming, jaarlijks overdraagbaar.

§ 2. Indien op de eerste dag van het jaar door de Vlaamse regering geen goedkeuring werd gegeven aan de begroting, is de DIGO gemachtigd uitgaven te doen ten belope van het bedrag ingeschreven op de begroting van het voorgaande jaar, tenzij het principieel nieuwe uitgaven betreft, waartoe geen machtiging is verleend bij de begroting van het vorig jaar, behoudens andersluidende beslissingen van de regering.

§ 3. opgeheven.

§ 4. Indien een beroep wordt gedaan op de waarborg van de Vlaamse Gemeenschap kan deze zich laten terugbetalen met behulp van volgende verrichtingen, in de volgorde waarin zij zijn aangegeven:

  1. afhouding op de werkingstoelagen verschuldigd aan de onderwijsinstelling die in het gebouw is gehuisvest;
  2. afhouding op de werkingstoelagen verschuldigd aan andere onderwijsinstellingen die onder dezelfde inrichtende macht zijn georganiseerd;
  3. invordering door het Bestuur van de Registratie en Domeinen op het patrimonium van de inrichtende macht.

Onderafdeling 6. – Toezicht

Art. 20quinquies. - § 1. De DIGO staat onder controle van de regering. Deze controle wordt uitgeoefend door bemiddeling van een commissaris van de regering die door de regering op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs wordt benoemd.

De regering bepaalt de vergoedingen die aan de commissaris van de regering kunnen worden toegekend.

§ 2. De commissaris van de regering woont, met raadgevende stem, de vergaderingen van de raad en het vast bureau bij. De commissaris van de regering beschikt voor het vervullen van zijn opdracht over de ruimste macht.

§ 3. De commissaris van de regering kan, binnen een termijn van tien vrije dagen, beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, het decreet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend.

Deze termijn gaat in de dag van de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de commissaris van de regering daarop regelmatig uitgenodigd werd, en in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.

§ 4. De regering regelt de uitoefening van de opdrachten van de commissaris van de regering.

§ 5. Heeft de regering, bij wie het beroep wordt ingesteld, binnen een termijn van twintig vrije dagen, ingaand dezelfde dag als de in § 3 bedoelde termijn, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.

§ 6. De nietigverklaring van de beslissing wordt door de regering aan de raad betekend door de benaarstiging van haar commissaris.

 

 


print
contact
FAQ
home
links
zoek
disclaimer